Tekst: Matheu Bemelmans
Wie door de kantoren van het bisdom Roermond loopt, voelt dat het een historische plek is met een lange en rijke geschiedenis. Meer dan 100 jaar werden hier priesters opgeleid. Ook was het meer dan 50 jaar een klooster voor zusters norbertinessen. Maar de belangrijkste historische feiten vonden plaats in de 400 jaar daarvóór, toen het een klooster voor kartuizer monniken was. Dit jaar is het 650 jaar geleden dat de Roermondse kartuis werd gesticht.
Op 25 juli 1376 schonk ridder Werner van Swalmen een stuk grond net binnen de stadsmuren van Roermond aan de kartuizer monniken uit Keulen, met de bedoeling dat zij hier een nieuw klooster zouden vestigen. Er stond op dat moment op het terrein al een kleine kapel. Niet de gotische Caroluskapel die nu het hart van het monumentale complex vormt, maar een veel kleinere vijfhoekige kapel die toegewijd was aan Onze-Lieve-Vrouw van Bethlehem.
Ook die kapel was er gekomen door toedoen van Werner van Swalmen. Het was vermoedelijk een herinnering aan zijn pelgrimsreis naar het Heilig Land die hij in 1368 maakte. Dat verklaart ook waarom de kapel aan Onze-Lieve-Vrouw van Bethlehem werd toegewijd. Bij die kapel werd ook een gasthuis gebouwd, waar ridder Werner waarschijnlijk zelf een tijd gewoond heeft.
Die eerste kapel stond overigens niet op de plek van de huidige Caroluskapel, maar op wat nu de hoek Swalmerstraat-Bethlehemstraat is. Wie daar nu gaat kijken, zal geen kapel meer zien, maar alleen appartementencomplex in het pand van het voormalige grootseminarie. De oorspronkelijke kapel brandde in de 16e eeuw af, maar leeft nog voort in de naam van de Bethlehemstraat.
Vrome stichting
Werner van Swalmen had echter grootsere plannen. Zoals meer edellieden in die tijd deden, wilde hij een ‘vrome stichting’ doen. Al dan niet toevallig waren de monniken van de kartuis in Keulen al een tijd op zoek naar een locatie voor een nieuw klooster in de hoofdsteden van het hertogdom Gelre. In Arnhem hadden ze in 1335 al een kartuis gesticht en nu was Roermond aan de beurt. Vermoedelijk zijn de initiatieven de Duitse monniken en die van Werner van Swalmen op enig moment bij elkaar gekomen. Feit is dat dit jaar precies 650 jaar geleden een stichtingsakte werd getekend, waarmee de Roermondse kartuis werd opgericht.
De gronden van de familie Van Swalmen aan ‘de Steeghe’ werden aan de kartuizers geschonken en de ridder en diens vrouw en zoon beloofden jaarlijks een flink bedrag te betalen voor het levensonderhoud van een prior en twaalf monniken. De Roermondse kartuis begon dus met – zoals dat werd genoemd en gebruikelijk was – een apostolisch twaalftal. Als tegenprestatie lazen de monniken de mis in de Bethlehemkapel. Dat was bijzonder, omdat kartuizers normaal gesproken nooit buiten hun klooster komen.

Economische factor
In de vier eeuwen na 1376 beleefde de Roermondse kartuis een aantal hoogte- en dieptepunten. Mede dankzij het startkapitaal dat zij van Werner van Swalmen hadden gekregen en de vele giften en nalatenschappen van andere weldoeners, ontwikkelde de kartuis zich al snel tot het rijkste mannenklooster van Roermond. Ook beschikten de monniken over tal van hoeven en landerijen in Noord- en Midden-Limburg. In de stad waren ze een economische factor van belang. Opmerkelijk is dat de kartuizers het daarover regelmatig aan de stok hadden met de zusters cisterciënzerinnen van de Munsterabdij, een paar straten verderop.
De vele inkomsten stelden de monniken in staat om hun klooster flink uit te breiden. Zo werd al vrij snel begonnen met de bouw van een kloosterkerk. Deze werd in de eeuwen daarna diverse keren verbouwd en uitgebreid en ontwikkelde zich tot wat nu bekendstaat als de Caroluskapel. Aanvankelijk was dit een vrij sobere gotische kloosterkerk, die later onder invloed van de barok werd aangepast. In 1769 kreeg de kapel zelfs een uitbundig rococoaltaar met meer dan manshoge beelden die het kerstverhaal uitbeelden. Dit altaar staat tegenwoordig in de abdijkerk van Thorn. Het zalmkleurige plafond van de Caroluskapel herinnert tot op de dag van vandaag aan de rococoperiode. De rest van het huidige interieur van de kerk is 19e-eeuws.

Dionysius
Een ander kenmerkend onderdeel van het kartuizerklooster dat volledig bewaard is gebleven, is de kruisgang rond de binnentuin of pandhof. Tegen de buitenkant van deze kruisgang stonden ooit de cellen waarin kartuizers als een soort kluizenaars leefden. Die cellen zijn helaas verdwenen. De monniken die in de Roermondse kartuis woonden, waren hoog opgeleid en hielden zich onder andere bezig met het schrijven van hoogstaande literaire en theologische werken. Het klooster beschikte over een grote bibliotheek met unieke handschriften.
Een van de bekendste schrijvende monniken uit de 15e eeuw was Dionysius van Rijkel, die de geschiedenis inging als Dionysius de Kartuizer. Zijn schedel wordt nog altijd in de Caroluskapel bewaard en werd vier jaar geleden door wetenschappers onderzocht. Dionysius studeerde onder meer in Zwolle en Keulen voordat hij intrad bij de kartuizers in Roermond. Hij groeide uit tot een van de belangrijkste theologen van zijn tijd. Een bekende uitspraak over hem luidt: “Wie Dionysius gelezen heeft, heeft niets niet gelezen.”
Martelaren van Roermond
De allergrootste bekendheid in heel Europa verwierf de Roermondse kartuis met een zeer tragische gebeurtenis. Op 23 juli 1572 hielden de troepen van Willem van Oranje danig huis in Roermond. Ze veroverden de stad op de Spanjaarden en sloegen aan het muiten. Daarbij hadden de soldaten het vooral voorzien op kerken, kloosters en religieuzen. Vooral de kartuizers moesten het ontgelden. Twaalf monniken en de secretaris van de toenmalige bisschop, die naar het klooster gevlucht was omdat hij dacht daar veilig te zijn, werden op brute wijze vermoord, om niet te zeggen: afgeslacht. Ze werden doodgeslagen, met kogels doorboord of met dolken en zwaarden doorstoken. Tot in Zuid-Europa toe werd in de jaren daarna in geschriften schande gesproken van deze moordpartij.

Bisdom
Op latere afbeeldingen zijn de wreedheden het leger van Willem van Oranje op zeer plastische wijze weergegeven. In de kruisgang hangen enkele replica’s van schilderijen waarbij het bloed letterlijk tot aan het plafond spuit. In tegenstelling tot de martelaren van Gorcum, die eveneens in 1572 werden vermoord, zijn de ‘martelaren van Roermond’ nooit zalig- of heiligverklaard. De reden daarvoor is dat kartuizers vanuit hun spiritualiteit kiezen voor een sober en teruggetrokken bestaan en geen heiligverklaringsprocessen willen. Om die reden is ook Dionysius nooit zalig- of heiligverklaard. Wel worden de beenderen van de vermoorde kartuizers in kleine kistjes in de Caroluskapel bewaard. In 2022 is de 450e verjaardag van de moord op kartuizers met een expositie herdacht.
Na de moordpartij duurde het minstens een jaar voordat de gevluchte monniken terugkeerden naar Roermond en hun oude ritme van werken en bidden weer konden oppakken. Dat lukte en de kartuizers konden ruim twee eeuwen ongestoord hun teruggetrokken leven leiden. Daaraan kwam abrupt een einde door een edict van keizer Jozef II van Oostenrijk, die in 1783 bepaalde dat alle contemplatieve kloosters gesloten moesten worden. Hij wilde de kerk moderniseren en zag wel iets in religieuzen die onderwijs gaven of zieken verzorgden, maar moest niets hebben van kloosterlingen die in zijn ogen niets ‘nuttigs’ deden. De kartuizers vertrokken en hun schilderijen, boeken, meubilair en huisraad werden verkocht. Zo kwam na ruim vier eeuwen een einde aan het enige kartuizerklooster binnen de grenzen van het huidige bisdom Roermond.
Bron: Voor dit artikel werd gebruik gemaakt van diverse artikelen uit het boek ‘Het geheim van de stilte’ dat in 2009 verscheen naar aanleiding van de grote tentoonstelling over de kartuizers in Roermond.